Hoe krijgen we meer ouderen in de bus?

Hoe krijgen we meer ouderen in de bus?

door Niels van Oort in rubriek onderzoek
geen reacties

Slechts 10 procent van de ouderen maakt gebruik van het ov. Om dat percentage te doen stijgen, kunnen overheden en vervoerders inzetten op hogere frequenties en directe verbindingen.

Minder dan de helft vindt een langere loopafstand tot de halte een probleem. Dat blijkt uit het afstudeeronderzoek van Ellis van Gorp, in samenwerking met Goudappel Coffeng en het Smart Public Transport Lab van de TU Delft.

Nederland kent een uitgestrekt busnetwerk met zo’n 1800 buslijnen. Vanuit financieel én kwaliteitsoogpunt worden steeds meer buslijnen gestrekt en gebundeld en worden halteafstanden vergroot. Dit verhoogt de snelheid, betrouwbaarheid en frequentie, maar leidt ook tot langere afstanden in het voor- en natransport.

Het percentage ouderen stijgt tot 2030 naar verwachting van 19 naar 25 procent. Veel ov-autoriteiten vinden het belangrijk om passend vervoer voor hen aan te bieden, omdat dit anders kan leiden tot eenzaamheid, gezondheidsproblemen en afname van de kwaliteit van leven.

Een optie zou het openbaar vervoer zijn. Echter maakt momenteel 10 procent van de ouderen gebruik ervan. Een verklaring is dat een derde van hen moeite heeft met de OV-chipkaart en (digitale) reisplanners. Daarnaast worden ‘de ouderen’ vaak als één groep gezien met dezelfde voorkeuren . “In dit onderzoek richtte ik me op de invloed van het netwerkontwerp en in hoeverre de voorkeuren daarvoor verschillen tussen ouderen onderling”, aldus Van Gorp.

De facts & figures. Klik op de afbeelding voor een vergrote weergave.

Kennis ophalen

Door middel van een representatieve enquête onder 250 ouderen is inzicht verkregen in de voorkeuren van ouderen. De enquête bestond uit een keuze-experiment waarin de ouderen werd gevraagd te kiezen tussen twee alternatieven (per bus). Zij kregen verschillende kwaliteitsaspecten voorgelegd om te begrijpen waarom ze alternatieven wel of niet kozen.

Daarnaast werden vragen gesteld met betrekking tot persoonlijke kenmerken. Van de respondenten gebruikt 11 procent minstens 1 dag per week de bus, gebruikt 19 procent 1 tot 3 keer per maand de bus, en gebruikt 18 procent de bus 6 tot 11 dagen per jaar. 29 procent van de respondenten gebruikt de bus slechts 5 dagen per jaar of minder en 22 procent geeft aan nooit gebruik te maken van de bus.

Dé oudere bestaat niet

Om het keuzegedrag beter te begrijpen is een discreet keuzemodel ontwikkeld, om de enquêtes te analyseren. Daarbij zijn aspecten als reiskosten, reistijd, frequentie, overstappen, en afstand tot de dichtstbijzijnde bushalte waarin de busopties van elkaar verschillen, onderzocht.

Er blijken vier groepen ouderen te onderscheiden met verschillende voorkeuren. De grootste groep ouderen (43 procent) geeft aan dat een korte afstand tot de bushalte en niet hoeven overstappen het meest belangrijk te vinden, 39 procent vindt een hoge frequentie het belangrijkste. Ze hebben geen problemen met overstappen en beschouwen de afstand tot de bushalte niet als belangrijk. 11 procent van de ouderen behoort tot een groep die reistijd erg belangrijk vindt, samen met frequentie. De kleinste groep, 7 procent, is erg prijsgevoelig.

Van Gorp: ”Onze resultaten geven aan dat de voorkeuren van ouderen onderling verschillen. Het onderzoek bevestigt dat een grote groep ouderen niet gebaat is bij het strekken en bundelen van buslijnen. Echter, de meerderheid gaf aan andere aspecten belangrijker te vinden, zoals totale reistijd, frequenties en kosten.”

Arthur Scheltes, adviseur van Goudappel Coffeng: ”Deze inzichten helpen overheden en vervoerders betere netwerken te ontwerpen, door de verschillende voorkeuren van ouderen mee te nemen. De zoektocht naar de juiste balans tussen ontsluitend en verbindende lijnen is hiermee niet verdwenen, maar faciliteert wel om betere afwegingen te maken en uiteindelijk netwerken te ontwerpen.”

Lees alle inzichten uit dit onderzoek hier.

 

Laat een reactie achter

Lees ook