NMCA: tegen 2040 loopt het ov vast

NMCA: tegen 2040 loopt het ov vast

Tot 2030 wordt het steeds drukker op de Nederlandse infrastructuur. In de tien jaar daarna gaat het pas echt knellen, volgens de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse.

Het ministerie van IenM voert een keer in de vier jaar een Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse (NMCA) uit om een beeld te krijgen van de knelpunten op langere termijn op wegen, vaarwegen, spoorwegen en in het regionale ov. De investeringen tot 2030 zijn al afgedekt in het MIRT-programma. Voor de periode tot 2040 is nog niets geregeld.

Uit de NCMA blijkt dat de mobiliteit het sterkst groeit in de stedelijke regio’s. Met name rond Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht en Eindhoven. Maar er dreigen ook bereikbaarheidsproblemen te ontstaan rond Amersfoort, Zwolle, Breda, Tilburg, Den Bosch en Arnhem-Nijmegen.

Treinkilometers
Door de extra treinen stijgt het aantal treinkilometers ten opzichte van 2014 met 13 procent in 2030. Landelijk neemt het aantal halteringen in de ochtendspits toe met 17 procent en het aantal treinkilometers met 19 procent. In de provincie Utrecht stijgen beide met meer dan 40 procent.

Op stations stoppen in 2030 13 procent meer stoptreinen en 27 procent meer Intercity’s dan in 2014. De gemiddelde snelheid van de Intercity gaat van 79 naar 82 km/uur. De snelheid van de Sprinter stijgt naar 62 km/uur.

Kwetsbaarheid
Door het toenemende aantal treinen neemt de betrouwbaarheid van de dienstregeling af, schrijft ProRail. De spoorbeheerder heeft de NMCA voor het spoor opgesteld. Op het plaatje hiernaast is te zien waar de kwetsbaarheid het grootst is – de rode baanvakken – gevolgd door de gele baanvakken.

Het aantal reizigerskilometers per trein stijgt naar 25 tot 34 procent in 2030 en naar 27 tot 45 procent in 2040. ProRail rekent met de scenario’s Laag (1 procent economische groei en lage bevolkingsgroei) en Hoog (2 procent groei en hoge bevolkingsgroei) uit de Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving (december 2015). Tot 2030 groeit het vervoer jaarlijks met 1,4 tot 1,8 procent. Vanaf 2030 vlakt de stijging af naar 0,2 tot 0,8 procent. De bediening op het spoor in 2040 is namelijk gelijk aan die van 2030.

Afname van ov
In het scenario Laag daalt het treingebruik in bepaalde delen van Nederland. Dat geldt voor Zeeland (-2 procent), Zuid-Limburg (-2 tot tot -6 procent), de Achterhoek (-4 procent) en Oost-Groningen (-5 tot -8 procent). Na 2030 neemt het treingebruik ook in delen van de Randstad met 3 procent af.

In het hoge scenario stijgt het treingebruik bijna overal. In de regio Amsterdam en Flevoland tot 45 procent. Na 2030 vlakt de groei af naar 9 procent tot 2040. De Intercity groeit het hardst met bijna 50 procent landelijk en 58 procent in Noord-Holland, Utrecht en Flevoland. De groei is het laagst voor de stoptrein in de regionale concessies: 19 tot 22 procent.

Probleemtrajecten
Zowel in de scenario Laag als Hoog doen zich tussen 2030 en 2040 knelpunten voor op de volgende spoortrajecten:
– Haarlem–Amsterdam Sloterdijk
– HSL-Zuid (Schiphol–Rotterdam Centraal)
– Utrecht Centraal–Amsterdam Amstel
– Woerden–Breukelen
– Arnhem–Zutphen
– Oss–’s-Hertogenbosch
– Helmond–Eindhoven

Bus, tram en metro
De NMCA voor bus, tram en metro heeft Goudappel Coffeng uitgevoerd. In 2014 legden Nederlanders ongeveer 5,2 miljard reizigerskilometers af met het stads- en streekvervoer. Dit is 23 procent van het totale ov-gebruik in Nederland. 71 procent reist met de streekbus, 13 procent met de stadsbus en 16 procent met tram en metro.

De verwachting is dat het aantal reizigerskilometers per bus, tram en metro tussen 2014 en 2040 toeneemt met 8 tot 31 procent. De knelpunten concentreren zich vooral in de Randstad. Het gaat dan om het metro- en tramnet in Amsterdam en Rotterdam, RandstadRail in Den Haag en de nieuwe Uithoflijn in Utrecht.

Kleinere steden
Ook op de binnenstadsassen en op aanrijroutes van en naar busstations in kleinere steden gaan zich capaciteitsproblemen voordoen; in Groningen, Leeuwarden, Zwolle, Eindhoven, Breda, Zoetermeer, Amersfoort en op Schiphol. Met name bij universiteiten gaat het vastlopen, zoals bij de WUR (Wageningen), De Uithof (Utrecht), Heyendaal (Nijmegen), Kralingse Zoom (Rotterdam) en Zernike (Groningen).

De Noord/Zuidlijn en de Hoekse Lijn lijken de groei goed te kunnen opvangen op de bestaande infrastructuur. Maar hov-producten als R-net en Q-link zijn zo aantrekkelijk dat ze aan hun eigen succes ten onder dreigen te gaan, volgens Goudappel Coffeng.

1 miljard extra
De Mobiliteitsalliantie zag in het verschijnen gisteren van de NMCA aanleiding om nog eens aan de bel te trekken bij de onderhandelaars in Den Haag. De brede vervoercoalitie herhaalde het pleidooi om minimaal 1 miljard euro per jaar extra in de infrastructuur te investeren.

Laat een reactie achter

Lees ook